>>terug<<
Opgetekende woorden

Interview uit 2003 met Paul van Vlijmen, directeur van het Nederlands Spoorwegmuseum, n.a.v. de voorgenomen renovatie van het museum.

Ik had tot mijn stomme verbazing iets met treinen.

Paul van Vlijmen is directeur van het Nederlands Spoorwegmuseum. En bovendien een van de geestelijk vaders en initiatiefnemers van het masterplan voor Het Nieuwe Museum. Een gesprek tussen de drukke werkzaamheden door.

“Ik was voor het eerst in het spoorwegmuseum in februari 1986. Ik werkte bij het Catharijneconvent, bij het Spoorwegmuseum zocht men een conservator/adjunct directeur, en mijn baas zei: Daar moet jij eens gaan kijken, dat is iets voor jou. Uiteindelijk ben ik op 1 februari 1987 in dienst getreden. Ik heb nooit huppelend aan de hand van mijn ouders het museum bezocht, ik ben nooit door mijn ouders op een trein gezet, maar de eerste keer dat ik er kwam was ik wel meteen verkocht.
De collectie sprak mij tot de verbeelding, met name de collectie rollend materieel. Zo breed, zo divers, terwijl het alleen maar over treinen gaat. Ik bleek tot mijn eigen stomme verbazing iets te hebben met treinen. Ik heb tijdens mijn studie kunstgeschiedenis beeldhouwkunst gestudeerd, dat was eigenlijk de enige richting die ik interessant vond. Driedimensionaal, het moet gewicht hebben, het moet grootte hebben, het moet warmte hebben. En dat is precies wat ik hier vond. Voor mij zijn die immense locomotieven eerder beeldhouwwerken, en bovendien zijn het representanten van een voorbije periode, een cultureel erfgoed. Ik ben minder geïnteresseerd in de techniek.
Vanaf het moment dat ik directeur was is mijn insteek geweest ‘Leuk dat we een collectie hebben, die moeten we ook absoluut in stand houden, maar hoe kunnen we die nou voor een breder publiek leuk maken’. Ik wil mensen laten zien hoe ont-zet-tend leuk het hier is.
En dan wil ik graag de naam noemen van mijn voorganger, de heer C. Spaans, die eigenlijk met hetzelfde bezig was en zich in de tweede helft van de jaren tachtig geweldig heeft ingespannen om gelden voor recreatieve doeleinden naar binnen te sluizen. Waardoor wij het terrein buiten de overkappingen konden ontwikkelen, een terrein dat van NS was en overigens nog steeds is. Ik heb dat opgepakt. Mijn eerste bezigheid was de verbouwing van het Maliebaanstation, en later de ontwikkeling van het buitenterrein. Proberen het leuk te maken.
Het masterplan voor Het Nieuwe Museum is natuurlijk niet zomaar ontstaan. Ik had een droom, ja, maar die heb ik vrij snel tot reële proporties weten terug te brengen. Er was wel degelijk de behoefte om iets te doen. We hadden het Deltaplan Cultuurbehoud gehad, waardoor de collectie rollend materieel helemaal was opgeknapt. Dat was geweldig. Maar we zagen ook hoe snel het verval daarna weer toesloeg. Toen ontstond zowel bij ons en als bij de directie van NS het besef dat het heel erg nodig was iets duurzaams te ondernemen.
Want laten we één ding niet vergeten: de Nederlandse Spoorwegen is bij mijn weten het enige Nederlandse bedrijf met een ongelofelijk grote verantwoordelijkheid voor het behoud van het eigen cultureel erfgoed. Weet jij een ander bedrijf met een eigen museum op deze schaal? Vrijwel alles uit eigen zak betaald? Ik weet dat NS onder druk staat, maar op een aantal fronten zeg ik: petje af. En dat zou ik ook zeggen als ik hier niet zat.
Maar goed, het plan. Deels uit noodzaak geboren, deels het resultaat van fantasie en wat wel genoemd wordt lateraal denken. Ik zal één ding heel eerlijk zeggen: ik vond het museum eigenlijk niet leuk genoeg. Er zit zoveel inspiratie in wat we hier hebben, en als ik het dan zag, dan dacht ik nee, dat kan beter. Leuker. Minder saai.
We zijn naar Amerika geweest, naar Sacramento, daar hebben ze één van de grootste en mooiste spoorwegmusea ter wereld. Dat gaf een geweldige kick, zeker toen we ontdekten dat onze eigen collectie niet onderdeed voor die van hun. Het is dus niet zozeer wat je hebt, maar meer de manier waarop je het laat zien.
Het was enig om aan de ontwikkeling van het plan te werken. Ik had een interview in de krant waarin ik globaal wat zaken had genoemd en een paar dagen later kreeg ik een brief van iemand die zei: ‘Dat vind ik leuk, daar wil ik aan meedenken.’ Ik heb hem teruggeschreven en zei: Laat maar horen. Dat loopt wel eens minder goed af, maar in dit geval was het fantastisch. We hebben meer ongebruikelijke paden bewandeld. Zo kwamen we terecht bij de decorafdeling van het NOB, en die blijken dan veel meer in huis te hebben dan het decor van Studio Sport, of hoe dat tegenwoordig ook heet.

Uiteindelijk is alles wat we hadden in een officieel rapport vervat – ik zeg het nu even simpeler dan het was – en daar zijn we mee op pad gegaan. En het mooiste wat we vonden was begrip, en niet alleen dat, maar ook enthousiasme, veel enthousiasme. In dat stadium zitten we nu. We hebben een goed plan dat een aantal belangrijke doelen dient. Primair het behoud van de collectie, natuurlijk. Het behoud van iets wat ongelofelijk veel invloed heeft gehad op de maatschappelijke ontwikkeling van Nederland. En daarnaast een hogere attractiviteit voor een breed publiek. Want dat blijft me bezighouden, om zoveel mogelijk mensen een stukje recente historie zo beeldend mogelijk, en dus zo leuk mogelijk mee te laten maken. Mooi hè, om je daar voor in te zetten. Wat heb ik eigenlijk een prachtige baan, vind je niet?”

Mail: fred@dewoorden.nl, tel: 0620 966 446, e-fax: +31 (0)84 746 0214